De huidige zuidwalbotter BU9 werd in 1910 op de werf van Schaap in Huizen gebouwd in opdracht van
Lammert Duyst Stz (geb. 24 maart 1870), een Spakenburgse visser.
|
|
Lammert Duyst BU 38
|
De visserijvergunning van Lammert Duyst stond geregistreerd in Bunschoten onder nummer 38 dus kreeg zijn nieuwe botter het visserijnummer BU38 Met zijn zoon Peter als compagnon viste hij op de toenmalige Zuiderzee op haring, ansjovis, bot en aal met haringfuiken, haringschakels, botsleepnetten, wonderkuil en dwarskuil.
De BU38 in de haven van Spakenburg >> |
|
Peter Baas BU 9
De botter werd verkocht aan de Spakenburgse visser Peter Baas en werd daarbij overgenummerd als BU9.
|
|
Peter Baas (geboren 28 augustus 1877) had in Spakenburg de bijnaam Peet Leun. Jan Koelewijn viste hiervoor buiten de dijk met de botter BU12 van zijn vader In 1937 werd de kuilvisserij beneden de lijn Volendam-Doornspijk verboden. Voor de BU9 werd daarom, in combinatie met de BU147 een fuikebeug gekocht. |
|
De vangst werd gelost in Spakenburg, een enkele keer in Harderwijk. Vanaf juli werd alleen nog met hoekwant gevist
20 augustus 1937 stopte Peter Baas met vissen.
Hendrik Baas BU 9
De vergunning van Peter Baas ging over naar zijn zoon Hendrik Baas (geb.26 juli 1906), die met Jan Koelewijn als schipper ging varen. De botter hield daardoor haar visserijnummer BU9 en werd een gezamenlijk eigendom van Hendrik Baas en Jan Koelewijn.
|
In de botter werd boven het achterste ruim een 10 pk Ford T benzine motor, 4 cyl. bouwjaar 1930 geplaatst. Gedurende het visseizoen in 1939 komt Peter Baas terug aan boord bij zijn zoon Hendrik, omdat Jan Koelewijn wordt opgeroepen voor militaire dienst In de oorlogsperiode bleef de botter in Spakenburg. In mei 1940 werden de inwoners van Spakenburg voor korte tijd geëvacueerd naar Enkhuizen, de vissers bleven met hun schepen doorvissen.
De BU9 vaart de haven van Spakenburg uit >> |
|
In 1942 werd voor de BU9 een vergunning afgegeven voor visserij op het IJsselmeer met dwarskuil en snoekbaarsnetten. Op de inventarislijst stonden 5 katoenen kuilnetten, aanschafprijs f 350,- per stuk en 8 linnen snoekbaarsnetten van f 100,- per stuk.
|
|
![]() |
Voedseltransporten in de hongerwinter
Tijdens de oorlogswinter 1944-45 werden de botter ingezet om aardappels te varen uit NW-Overijssel en Drente en kool uit Andijk (Noord-Holland).
In zijn boek "Van gaand en staand want" deel III, schrijft Peter Dorleijn hierover:
In de hongerwinter van 1945 is een deel van de Bunschotervloot ingezet om voedsel vanuit het noorden van ons land naar Spakenburg te varen.
Het ging hier om landbouwprodukten als kool, erwten en bonen, maar vooral ook om aardappels. Deze produkten waren in de eerste plaats bestemd voor de eigen gemeente.
Weliswaar ligt Bunschoten-Spakenburg in het platteland, maar omdat daar bijna uitsluitend veeteelt bedreven werd, ontstond er toch een kritieke situatie in de voedselvoorziening.
Hoewel er aan het varen zekere risico's verbonden waren, bijvoorbeeld beschieting door geallieerde vliegtuigen, bestond er onder de vissers voldoende animo voor omdat
het hen vrijwaarde van de "Arbeitseinsatz".
Het initiatief voor de voedselvaarten ging uit en vond plaats onder auspiciën van de Vebena, terwijl ook de visserijvereniging deelnam in de organisatie.
De eerste reizen werden omstreeks februari 1945 ondernomen. De vissers kregen soms op waar en wat ze moesten laden, vaak ook was het een kwestie van zelf op zoek gaan. Ze onderhandelden dan ook over de prijs, betaalden en rekenden na afloop van de reis met de organisatie af.
De meeste reizen gingen naar de kop van Overijssel, Friesland en Drenthe. Enkele ook naar West Friesland, waar in Broekerhaven en Medemblik ook wel eens een vrachtje georganiseerd kon worden.
Jan Koelewijn BU 9
![]() |
Jan Koelewijn (geboren op 6 maart 1907), nam in januari 1947 de visserijvergunning en de botter BU9 over van Hendrik Baas. |
|
Jan Koelewijn vertelde hierover: "Die vergunning, ja, da moek es effe vertellen, da za'k je zeggen. Ik het in de oorlog nooit een vergunning gehad, en dat zat erin, ik was eigenlijk te jong. Ik was zoon van belanghebbende en als je belanghebbende bennen wil dan mos je van 1906 wezen, en ik was van 1907 dus da/kon nie worden. En afijn toen ben we in uh, ik weet nie meer, in '45 of '44 wanneer 't was, ben'k uut elkaar egaan, we kon niet met mekaar op. Ie viste nie, ie viste aars as ik wilde dus we kregen meuten dus ik zeid tegen m'n vrouw ik scheid ermee uut, ik ga zo nie meer. Ik het 't boeltje ekocht van hun maar ja, de vergunning kon 'k nie kopen, die had ie. Afijn, toen hei'k nog een veertien dagen zonder vergunning gevist. |
|
Toen bin 'k bie de burgemeester eweest, toen mos ik naar hoe heet 't, daar naar 't douanekantoor daar in Utrecht en daar ben'k em zelf nog wezen halen van te voren. En ik kreeg 'm ook want toen zei de burgemeester ga maar zei die, mog je aanhouden door de zeepolitie zei die, dan sta ik er voor in, dan werk ik wel voor je dat er niks van komt. Ik zeg nou da's goed.
Maar afijn die he'k klaar emaakt en ik kreeg toen de vergunning van Utrecht en toen kon'k later, ben'k zo op die vergunning gaan varen en da's altijd goed egaan".
|
Jan Koelewijn haalt met z'n maat de dwarskuil binnen |
In juli 1951 werd de T-Ford wordt vervangen door een 20 pk A-ford. Jan Koelewijn hierover: "Eerst sting er een T-Ford in, toen he'k er een A-Ford in laten zetten in Edam en later he'k er nog een eh hoe heet ie, een Deutz in ehad, maar een gewone ruwolie motor. Die het eh, is erin ezet in die, hoe heet ie ook alweer die man, op die werf daar, op de hoek van de Eem. De keerkoppeling deed 't niet goed, toen heb Jan Bos 'm er tussen uut ehaald en toen deeën we zonder keerkoppeling en ja, da ging ook, dan ging je meteen". |
|
Jan Koelewijn stopte in september 1963 met vissen en wordt havenarbeider in Amsterdam.
Per 1 juni 1965 werd zijn visserijvergunning gereserveerd en per 1 juni 1966 definitief ingetrokken.
lossen van de vis na een van
de |
![]() |