Terug naar de startpagina Naar de vorige pagina

Botter BU9

Visserij verleden

 

 


De huidige zuidwalbotter BU9 werd in 1910 op de werf van de Gebr. Schaap in Huizen gebouwd in opdracht van Lammert Duyst Stz, een Spakenburgse visser.
  

De botterwerf van de Gebr. Schaap in Huizen waar de botter BU38 (later BU9) in 1910 werd gebouwd

Jacob Schaap, aannemer en hangenbaas, nam in 1868 de door Boelen en Boissevain gestichtte werf in Huizen over. 
Hij overleed al een jaar later, zodat de werf door zijn vrouw, “Geesie van de Haven” en zijn nog jonge zoons Jacob Jr en Hermanus werd overgenomen.

De werf Gebroeders Schaap heeft 232 botters, 13 kwakken en een blazer gebouwd. 
De werf werd in 1934 gesloten toen bleek dat er geen geld meer te verdienen was met de bouw en het onderhoud van botters. 
Doorgegaan werd met de ansjovishandel, visrokerijen, taanderij en de opbouw van een conservenfabriek, de Mayonna.
De familie Schaap, die meerdere ondernemingen bezat, droeg de bijnaam 'de Potloodjes'.

 

  


Lammert Duyst BU 38  (geb. 24 maart 1870)

De huidige zuidwalbotter BU9 werd in 1910 op de werf van Schaap in Huizen gebouwd in opdracht van Lammert Duyst Stz (geb. 24 maart 1870), een Spakenburgse visser.

De visserijvergunning van Lammert Duyst stond geregistreerd in Bunschoten onder nummer 38 dus kreeg zijn nieuwe botter het visserijnummer BU38

Met zijn zoon Peter als compagnon viste hij op de toenmalige Zuiderzee op haring, ansjovis, bot en aal met haringfuiken, haringschakels, botsleepnetten, wonderkuil en dwarskuil.

 

De BU38 in de haven van Spakenburg >>  

Na de afsluiting van de Zuiderzee in 1930 liep de visserij sterk terug. De gemiddelde wekelijkse inkomsten bedroegen in 1930 - f 44,- en in 1931 nog maar f 27,-

Door Lammert Duyst werd daarom een aanvraag gedaan om tegemoetkoming wegens waardevermindering  als bedoeld in artikel 6a van de  Zuiderzeesteunwet; "Bij ontstentenis van trekvisch als gevolg van de afsluiting der Zuiderzee en daardoor geen verdiensten voor levensonderhoud".

Hiervoor werd de botter  BU 38 op 7 maart 1932 als volgt door de Generale Commissie Zuiderzeesteunwet geïnventariseerd:

Een botter, kielvaartuig, gebouwd in 1910 onder nummer BU 38, bruto inhoud 64 m³. 
zonder motor met als ligplaats Spakenburg.

Vischwant:

 

30 haringfuiken

30 schuttings

7 haringschakels

1 kopnetje

6 botsleepnetten

1 botsleepnet zonder ondersim

1 wonderkuil

3 aalkuilen

1 aatje

3 klaarzakken

1 jotterdraad + ketting

1 boottouw

1 stel sleepnet-touwen

1 stel kuil-touwen

1 tussen beiden touw

1 fuikenvisschers-ketting

1 reepkabel

70 staken

5 steenen in beslag

3 vijftigers

  partij oud en nieuw lood

 

Tuigage:

 

2 zeilen

2 fokken

2 kluiffokken

2 bezanen

 

 

1 kruiwagen

1 vischbalans met stel gewichten

 

2 kabels met dreg en anker

 

1 boot  (verkocht  a  f35,- aan de schippers

 van de BU99 en BU58)

 

 

Geschatte waarde           botter incl. span zeilen  f 1750,-

                              netten + toebehoren                  f 1119,-

                              bijboot                                         f     62,-

Totaal geschatte waarde                                       f 2931,-

werkelijke waarde                                                  f    685,-

waardevermindering        t.g.v. afsluiting              f 2246,-

 

Duyst kreeg een geldelijke tegemoetkoming in het kader van de Zuiderzee steunwet van f 5,- per week tijdens de zomer en f 10,- gedurende het winterseizoen.

Na de afsluiting van de Zuiderzee wordt het vissen met de wonderkuil verboden.  In het voorjaar van 1935 gaat Lammert Duyst van boord en vaart zijn zoon Peter als schipper.

Na het visseizoen van 1935 beëindigt Lammert Duyst zijn bedrijf. In een brief aan de Steuncommissie schrijft hij:  

"Weledele, Met dezen deel ik U mede dat ik de botter verkocht heb, en dus mijn bedrijf eindig. En wel om de volgende redenen: ten eerste: omdat ik binnenkort voor groote onderhoudskosten zou komen te staan, en de visscherij niet zoveel oplevert om die te kunnen betalen. Te minder daar ik den 66 jarigen leeftijd al bereikt heb. En ten tweede omdat mijn zoon en medeschipper met wien ik 20 jaar gevischt heb de botter van zijn schoonvader krijgt met wiens eenigst kind hij gehuwd is".
 


Peter Baas BU 9

De botter werd rond 1920 verkocht aan de Spakenburgse visser Peter Baas en werd daarbij overgenummerd als BU9.
  


De BU9 met kuil te drogen voor de helling in Spakenburg

Peter Baas (geboren 28 augustus 1877) had in Spakenburg de bijnaam Peet Leun. 
Hij viste met zijn zoon Hendrik Baas en met Jan Koelewijn als knecht op bot, aal en spiering met botsleepnetten, fuiken, wonderkuil, dwarskuil en hoekwant.

Jan Koelewijn viste hiervoor buiten de dijk met de botter BU12 van zijn vader.  Zij vader, G Koelewijn, schrijft hierover naar de Rijksdienst:  

"Zoon Jan voert voor eigen rekening de visscherij op de wadden uit. Vader staat die weken gratis zijn botter [BU12] af.

Zijn compagnon is J.Hopman [BU87] deze zorgt voor zeilen en kabels enz.

Visscherij wordt alleen maar uitgevoerd in het voorjaar op de haring, knecht is Hendrik Baas".


Peter Baas 1934

In 1937 werd de kuilvisserij beneden de lijn Volendam-Doornspijk verboden. Voor de BU9 werd daarom, in combinatie met de BU147 een fuikebeug gekocht. 
De BU9 viste dat jaar samen met de BU147 van schipper T. de Graaf (bijnaam "De Lupert") op fuikaal en tevens op kuilaal.
De vangst werd gelost in Spakenburg, een enkele keer in Harderwijk. Vanaf juli werd alleen nog met hoekwant gevist

20 augustus 1937 stopte Peter Baas met vissen.

 


Hendrik Baas BU 9

De vergunning van Peter Baas ging over naar zijn zoon Hendrik Baas (geb.26 juli 1906), die met Jan Koelewijn als schipper ging varen. De botter hield daardoor haar visserijnummer BU9 en werd een gezamenlijk eigendom van Hendrik Baas en Jan Koelewijn.

In de botter werd boven het achterste ruim een 10 pk Ford T benzine motor, 4 cyl. bouwjaar 1930 geplaatst.

Gedurende het visseizoen in 1939 komt Peter Baas terug aan boord bij zijn zoon Hendrik, omdat Jan Koelewijn wordt opgeroepen voor militaire dienst. Peter Baas schrijft hierover aan Rijksdienst:  

"Mijne Heeren met het oog op de militaire maatregelen welke door de Regeering genomen zijn moest mijn zoon zijn kameraad in dienst, en met het oog bij gebrek aan volk zou ik zelf weer naar zee, tot zoo lang zijn kameraad wederom thuis is. Beleefd verzoek ik u in de loop van de week mij te willen berichten, hoeveel er van mijn geldelijke tegemoetkoming af getrokken word. Om reden die vrouw welke haar man in dienst is mij dit terug betalen moet. Want naar zee gaan en geld toegeven gaat niet op".

 

In de oorlogsperiode bleef de botter in Spakenburg. In mei 1940 werden de inwoners van Spakenburg voor korte tijd geëvacueerd naar Enkhuizen, de vissers bleven met hun schepen doorvissen.

 

De BU9 vaart de haven van Spakenburg uit >> 

In 1942 werd voor de BU9 een vergunning afgegeven voor visserij op het IJsselmeer met dwarskuil en snoekbaarsnetten. Op de inventarislijst stonden 5 katoenen kuilnetten, aanschafprijs f 350,- per stuk en 8 linnen snoekbaarsnetten van f 100,- per stuk.
 

 

 

 

 

 foto's Peter Dorleijn

Voedseltransporten in de hongerwinter

Tijdens de oorlogswinter 1944-45 werden de botter ingezet om aardappels te varen uit NW-Overijssel en Drente en kool uit Andijk (Noord-Holland).

In zijn boek "Van gaand en staand want" deel III, schrijft Peter Dorleijn hierover:

In de hongerwinter van 1945 is een deel van de Bunschotervloot ingezet om voedsel vanuit het noorden van ons land naar Spakenburg te varen.
Het ging hier om landbouwprodukten als kool, erwten en bonen, maar vooral ook om aardappels. Deze produkten waren in de eerste plaats bestemd voor de eigen gemeente.
Weliswaar ligt Bunschoten-Spakenburg in het platteland, maar omdat daar bijna uitsluitend veeteelt bedreven werd, ontstond er toch een kritieke situatie in de voedselvoorziening.
Hoewel er aan het varen zekere risico's verbonden waren, bijvoorbeeld beschieting door geallieerde vliegtuigen, bestond er onder de vissers voldoende animo voor omdat het hen vrijwaarde van de "Arbeitseinsatz".

Het initiatief voor de voedselvaarten ging uit en vond plaats onder auspiciën van de Vebena, terwijl ook de visserijvereniging deelnam in de organisatie.
De eerste reizen werden omstreeks februari 1945 ondernomen. De vissers kregen soms op waar en wat ze moesten laden, vaak ook was het een kwestie van zelf op zoek gaan. Ze onderhandelden dan ook over de prijs, betaalden en rekenden na afloop van de reis met de organisatie af.
De meeste reizen gingen naar de kop van Overijssel, Friesland en Drenthe. Enkele ook naar West Friesland, waar in Broekerhaven en Medemblik ook wel eens een vrachtje georganiseerd kon worden.


Jan Koelewijn laadde een aantal malen in Medemblik; hoe hij daar een keer een partij kool bemachtigde is een schitterend verhaal.

's Middags waren we door de sluis in Medemblik gegaan, dus we leien al in 't kanaal, maar niks te krijgen. 'sMorgens stormde 't uut 't zuudwesten en toen kwamen die koolbootjes van Opperdoes af, denk ik, want er lag een lichter in de haven die most kool laojen. 
De bootjes waren zo vol gelaojen, die lagen zo an 't water. Wie lagen daar met twee botters, de kont aan de wal en de kop een beetje af. 
Daar in dat kanaal daar sting nog een aardig kabbelzeetje en wie zaten op de plecht met ons drieën. Ik zeg tegen m'n sjoonvader: "Kiek es, die zinkt." En die kerel die stuurde 'm op de wal, die sprong d'r uut vanzelf. En eventjes later nog één en nog één, die sloegen zo vol water en die zonken. Maar die kool bleef allemaal drijven en dreef zo op ons an, zo tussen ons en de wal.
En daar kwamen die lui die op die bootjes waren. "Ja, wat moet je daarmee", zei ik. "Ze moen naar Medemblik", zei die, "daar leit een lichter voor ons." Ik zeg: "Als je ze hier vandaan dragen moet naar Medemblik ben je ook nog niet klaar. Verkoop ze aan mij, man, ik wil ze graag hen." "Ja jonge, dat kan niet." Ik zeg: "Wat kan niet? Tegenwoordig kan alles niet en kan wel. Als je ze ming verkopen dan vissen we ze zo op." En we maakten 't akkoord; ik geloof dat ik voor een dikke honderd gulden de hele bubs kocht.

De kool was vermoedelijk voor de Wehrmacht bestemd en het was zaak om onopgemerkt de haven te verlaten. Diezelfde avond gingen de botters nog door de sluis en de volgende dag om een uur of twee in de morgen zeilden ze Medemblik uit. 's Avonds kwamen ze zonder problemen in Spakenburg. Jan Koelewijn: "D'r waren d'r hier mooi blij mee, dat we zo'n vrachtje hadden."

De meeste botters beschikten in die tijd al wel over een hulpmotor, maar brandstof was er niet dus alles moest op de zeilen of, zoals bij lange tochten het binnenland in, trekken.

Jan Koelewijn: "We ben nog es aardappels gaan halen, toen was Jan Giepie [Jan Hopman] en Roelof Meester ook bie ons. Met z'n drieën kregen we opdracht van de voedselvoorziening dat we 24 ton laoien mosten daar vlak bie Assen, in de Norgervaart, ieder 8 ton. Nou, toen hewwe nog 3 ton voor ons eigen gekocht, die hewwe zo veur in de kooi gestort.

Maar we leien behoorlijk diep, met de stuit an. Ik zeg: "Jonge, als d'r wind komt; dat staat er mooi voor." Maar afijn, we ben weggegaan en we waren aardig gelukkig, want toen we heen gingen was de wind zuud-west en terug hajje een barre noordwester. We kwamen er die dag nog verscheije tegen, die moesten 't hele kanaal trekken. 
Via Genemuiden en 't Sjokkerkanaal, langs de Noordoostpolder, voeren we weer naar huis toe.

Maar hoewel Jan bij al die tochten aardig gelukkig was met de wind, moest hij laatstgenoemd kanaal, dat officieel de naam Ramsgeul draagt, ook een keer oplaveren.

Jan Koelewijn: "Toen was 't hele kanaal in de wind, hewwe vuuf of zes uur gelaveerd, nou, dan wordt 't op 't lest raar voor je ogen! Je kunt net gang maken en dan moet je direct door-de-wind, want aorst loop je zo in de stenen. Nou was je met z'n drieën, dat sjeelde vanzelf, dan kon je zelf altied bie 't roer blieven. Want ja, je han alles vol eerepels, dat was niet zo makkelijk. M'n sjoonvaoder was ook een keer bie ons, maar effies te krap, en daar zat ie in de stenen; we hen 'm terug uut d'r weer af'etreuken. En d'r is d'r ook nog één gezonken die tied, dat was de 114; in de stenen, en door z'n vlak heen.

De aardappels werden in hokken op de deken gestort, maar ook in de bun. "Dat gaf niks, want of ze nat waren dat hinderde niet, ze bedorven niet want daar han ze gien tied veur."

Op 21 maart 1946 kreeg Hendrik Baas een baan aan de wal, op de steenfabriek De Eem, ("eigenlijk is het NV Oerietfabriek want er werden ook veel aanrechten gemaakt voor het buitenland").


Jan Koelewijn BU 9

Jan Koelewijn (geboren op 6 maart 1907), bijnaam: “Jan Bal”, ging vissen met Peter de Graaf (vroeger BU85). Hij viste in het voorjaar op snoekbaars en kuilde vanaf april.

In januari 1947 nam
Jan Koelewijn de visserijvergunning en de botter BU9 over van Hendrik Baas.

In de brief van de Wrnd inspecteur der Visscherijen, Hoofd in het 2e en 3e district aan de Heer Directeur 'sRijksbelastingen en Domeinen te Utrecht:  

Onderwerp: apostille 18 febr 1946 no222D

      

"Onder terugzending des bijlagen van nevenstaande apostille heb ik de eer U mede te delen dat H.Baas en J.Koelewijn reeds vele jaren samen hebben gevischt op het hen gezamenlijk toebehorende vaartuig BU9 dat Baas werk aan de wal heeft gevonden en de visscherij wil verlaten en dat er op grond van de bestaande regelingen geen bezwaren bestaan om een vergunning voor uitoefening van de IJselmeervisscherij te verstrekken aan J.Koelewijn met gelijktijdige intrekking van de vergunning uitgereikt aan H.Baas.

De vergunning zal echter niet kosteloos kunnen worden verstrekt  aangezien J.Koelewijn geen belanghebbende is in de zin de Zuiderzeesteunwet".


Jan Koelewijn vertelde hierover:

"Die vergunning, ja, da moek es effe vertellen, da za'k je zeggen. Ik het in de oorlog nooit een vergunning gehad, en dat zat erin, ik was eigenlijk te jong. Ik was zoon van belanghebbende en als je belanghebbende bennen wil dan mos je van 1906 wezen, en ik was van 1907 dus da/kon nie worden.
En afijn toen ben we in uh, ik weet nie meer, in '45 of '44 wanneer 't was, ben'k uut elkaar egaan, we kon niet met mekaar op.
Ie viste nie, ie viste aars as ik wilde dus we kregen meuten dus ik zeid tegen m'n vrouw ik scheid ermee uut, ik ga zo nie meer.
En toen hei'k tegen 'm gezeid en toen zijn we goeschiks uut mekaar gegaan.

Ik het 't boeltje ekocht van hun maar ja, de vergunning kon 'k nie kopen, die had ie. Afijn, toen hei'k nog een veertien dagen zonder vergunning gevist.

Toen bin 'k bie de burgemeester eweest, toen mos ik naar hoe heet 't, daar naar 't douanekantoor daar in Utrecht en daar ben'k em zelf nog wezen halen van te voren. En ik kreeg 'm ook want toen zei de burgemeester ga maar zei die, mog je aanhouden door de zeepolitie zei die, dan sta ik er voor in, dan werk ik wel voor je dat er niks van komt. Ik zeg nou da's goed.
Maar afijn die he'k klaar emaakt en ik kreeg toen de vergunning van Utrecht en toen kon'k later, ben'k zo op die vergunning gaan varen en da's altijd goed egaan".
 

Jan Koelewijn haalt met z'n maat de dwarskuil binnen 

In juli 1951 werd de T-Ford wordt vervangen door een 20 pk A-ford.
In 1960 werd deze motor weer vervangen door een 2e hands 40 pk Deutz ruwolie motor

Jan Koelewijn hierover:
"Eerst sting er een T-Ford in, toen he'k er een A-Ford in laten zetten in Edam en later he'k er nog een eh hoe heet ie, een Deutz in ehad, maar een gewone ruwolie motor. Die het eh, is erin ezet in die, hoe heet ie ook alweer die man, op die werf daar, op de hoek van de Eem.
De keerkoppeling deed 't niet goed, toen heb Jan Bos 'm er tussen uut ehaald en toen deeën we zonder keerkoppeling en ja, da ging ook, dan ging je meteen".

 

Jan Koelewijn stopte in september 1963 met vissen en wordt havenarbeider in Amsterdam. 
Per 1 juni 1965 werd zijn visserijvergunning gereserveerd en per 1 juni 1966 definitief ingetrokken.

Eind 1965 doet Jan Koelewijn een aanvraag om tegemoetkoming wegens waardevermindering van vissersvaartuigen en netwerk als bedoeld in art. 6a van de Zuiderzeesteunwet.  

De inventarisatie geeft aan:

       BU9         bruto inhoud 10 m3
                        motor Deutz, bouwjaar onbekend 2e hands, Diesel, nummer onbekend, geplaatst in 1960
                        aanschafprijs vaartuig f 3000,-  motor f 2200,-
                        opbrengst bij verkoop f 4750 met kuils inbegrepen
                        verkocht aan C.Korlaar d.d. 1 april 1965

     Netwerk     5 kuilnetten, opzet 1100 mazen, jaar van buitengebruikstelling 1964,  materiaal katoen, aanschafprijs f350,- per stuk,  verkocht aan C.Korlaar dd. 1 april 1965
       
                 8 snoekbaars sleepnetten, buiten gebruikstelling 1954 materiaal linnen, aanschafprijs f100,- per stuk, nog in bezit

De rijksdienst besluit dat de aanvrager "wel belanghebbend" is er kent een vergoeding wegens waardevermindering toe:

1.    Een zuidwalbotter, groot model kenteken BU.9             f 800,-

2.    4 kuilnetten ad 1/3 van de kostprijs                                 f 560,-

 

       Totaal uit te keren bedrag                                                f1360,-

lossen van de vis na een van de laatste tochten, begin jaren zestig.
 (links Jan Koelewijn, rechts Hendrik Hopman )


In een interview met Peter Dorleijn, (Van gaand en staand want, deel III) vat Jan Koelewijn deze periode samen:

 

"In '37 is vader uut'esjeije en ik had gien vergunning, ik kon 'm niet kriege want ik was "zoon van belanghebbende"; je moest zelf belanghebbende wezen. Dus ik moest van arremeu met een belanghebbende samen. Ouwe Peter Baas die sjeide d'r ook uut en die had een zoon en die was een half jaar ouwer als ik. Die kon de vergunning net wel over kriege; je moste van 1906 zijn en ik ben van 1907.

Ja, anders had ik het nooit gedaan, want ik het 'r rottigheid genog mee gehad.

Daar ben ik toen samen mee gegaan en ben ik op de BU9 gekommen; die botter was jonger als die van vader en toen het ik die - samen hadden we 'm - over'eneumen.

Maar Peter Baas was blie dat ie [zijn zoon] met ming ging; zelf was ie wat dat betreft

niet bekwaam veur sjipper. Dus hie zei al dadelijk: "Jie moen maar baas wezen". Ik zeg: "Ja man, dat is best, dat sjeelt ming niks".

        

Dat is gegaan tot de oorlogswinter; toen ging 't niet goed meer en zei ik: "Ik sjei d'r mee uut, ik het gien zin meer". Ik wier 't zo zat! ,Maar ja, toen Peter Baas, dat was een hele goeie kerel want die sprak z'n zoon niet veur, die zei direct tegen me: "Jan, als je uutsjeije, ik weet niet hoe 't zit, maar de vergunning krieg jie. Daar zurg ik veur, want ming zeun het'r toch niks an".

Nou, en dat is toen gegaan. Dat eerste jaar het ik nog zonder vergunning gevaren want ik kon 'm eerst nog niet kriege.

Bie de burgemeester geweest, toen zeg ik: "Wie gaan naar zee, snoekbeersvissen, maar ik het gien vergunning, hoe zit dat?" "Ja", zeid ie, "daar kan ik ook niks an doen. Maar ja, de pliesie komt toch ook alle dagen niet bie je aan boord?" Ik zeg: "Ben je mal, heel niet ook." En wie hen dat hele veurjaar zonder vergunning snoekbeers gevist, nooit gien pliesie aan boord geweest.

Toen in april mosten we gaan kulen, had ik 't nog niet. Afijn, in 't lest veurjaars, toen kreeg ik bericht dat ik 'm in Utrecht halen kon, in het Domeinenkantoor. Dat staat daar ... eh, Asch van Wijckkade, juust, daar most ik heen. Ik kon 't heel niet vinden; een postloper 'evreuge en die wist 't ook niet. Afijn, ik liep effe te kieke, ik was nog nooit in Utrecht geweest, en toen had je daar 't pliesiebureau. Ik d'r in. Nou, de pliesie kijken, daar en daar, 't was niet eens zo veraf".

 

Dat jaar het ik twee vergunningen gehad, want met juni liep ie weer af. En dan, de eerste tied, toen kregen de vissers ze altied veur niks, de belanghebbenden. Maar ik moest 'm direct al betalen; ik geloof dat 't tien gulden was.

Later hen ze dat veranderd, hen ze er vuufentwintig van gemaakt, belanghebbenden en gien belanghebbenden.

 

Van die tied af aan, van '45, ben we uut mekaar gegaan. Met geld enzo hen we dat ook allemaal uut mekaar gemaakt. Toen had ik de botter en de vergunning.'

 

Van de verschillende visserijen die Jan beoefend heeft, was voor 1932 die met haringfuiken een van de belangrijkste: "Van m'n schooljaren af tot '32 hen we fukenvissen an de Kneer gedaan. Hering hen we genogt gevangen, daor hewwe niet over te klagen. Deurmekaar han we nog aardig geluk ook. Vader het nooit gien reepnetten [staande haringnet- ten] gehad; 't repen ben ik zelf ook nooit bie geweest.

Hij had wel ansjovisnetten, maar toen ik aan boord kwam was ie daar al mee uut'esjeije; ik geloof dat in '19 veur 't lest was. Maar toen in '25 of '26 heb ik nog een teeltje gedaan. Toen kwam de ansjovis niet inverdan, zoals ze dat neumden, dan bleven ze daar wat naar buten toe.

En toen dee die met een breur van 'm, daar waren we vroeger maat mee, samen. Die had ook een zoodje ansjovisnetten en wie had d'r ook nog en toen ben we zo met z'n vieren [bemanning van twee botters] gegaan.

 

Na het kuilseizoen van 1963 zei Jan de visserij vaarwel; het was toen nauwelijks meer mogelijk een knecht te krijgen en ook de polder Zuidelijk Flevoland naderde zijn voltooiing. Van de laatste jaren dat hij viste ging hij een aantal nachten met Peter Dorleijn  "te kulen".


Willem Hartog  BU 9 / BU 137

De botter BU9 werd op 29 maart 1965 verkocht via C.Korlaar (bijnaam: Kees Katjesoor) aan Willem Hartog (geb.19 september 1912) bijnaam Kromme Willempie. Deze viste onder vergunning BU 137 maar liet het visserijnummer BU9 op de botter staan.

Willem Hartog heeft één seizoen met de BU9 gevist om in aanmerking te komen voor de zuiderzeesteun.

Jan Koelwijn over deze verkoop:

"Da zal'k je vertell'n, eigenlijk heeft Kees Katjesoor 'm deraf gekocht. Willem Hartog heb nog's bie mijn geweest maar we konden nie akkoord worden en toen kwam Kees binnen die zei ik wou 't hele boeltje kopen. Ik zei nouja dat kan, en toen zei die vraag maar geld. Nou ja ik vreug geld, dat zal geweest zijn ik denk van in vuufenzestig.

Kees Katjesoor die het hier eweest en toen hebben we 't hele boeltje bij elkaar op zolder, ik denk van kuuls alles, ik weet niet of ik nog een kuul gehouwen heb, ik had 'r wel een stuk of vuuf, maar ik heb toen alles verkocht, zeilen, ie heb alles mee'enomen.

En toen kocht Willempie die kocht 'm weer van Kees. Die ging toen weer vissen, die was er uut'escheien maar ie moes eerst weer vissen veur zin steun.

Hij had voor die tied hadden ze nog een kottertjie en daar hadden ze eerst mee gevist, maar ja toen bin ze der uut'escheien en toen is Willempie die is met de sjuut nog verder gegaan.

En dat het ie gedaan, toen is ie dat jaar gegaan en toen kon ie later kon ie zo in de Zuiderzeesteun. Hij is er toen weer uut'escheien in de herfst en toen kon ie meteen in de steun gaan. Kromme Willempie is van de winter, verschene winter is ie gestorven".

Eind 1965 verlaat Willem Hartog de visserij en levert zijn vergunning in.  

Op 13 december 1965 ging de botter definitief uit de visserij. De BU9 was één van de twee laatste, vanuit Spakenburg op de zeilen, vissende botters.


Jan Koelewijn en zijn vrouw tijdens een intervieuw in Spakenburg